Werk (James Suzman)

Topchange Boeken, Boekenrubriek WijLimburg

Rob Meesen is misschien wel een van de meest belezen ondernemers in Limburg. De mede-eigenaar van TopChange leest jaarlijks tussen de 250 en 300 boeken. Wekelijks beschrijft hij voor WijLimburg een ondernemersboek.

Werk (James Suzman | 2020)

“Je kunt niet slim zijn tegen je zin!” (Prof. Dr. Joseph Kessels)

Tijdens onze eerste kennismaking op een congres van Philips en ASML waar we beiden spreker waren, werd ik overmeesterd door de visie op werken en leren van Prof. Dr. Joseph Kessels. Sindsdien is hij een van de grootste inspiratiebronnen in mijn werk en inmiddels een zeer gewaardeerde vriend. Joseph was onder meer van 2000 tot 2016 hoogleraar Human Resource Development aan de Universiteit Twente, hij was enkele jaren Dean van TSM Business School, mede-oprichter van internationaal advies- en onderzoeksbureau Kessels & Smit, is benoemd als Advisor of the Korean Professional Management Academic Society en was als adviseur betrokken bij de opbouw van het onderwijssysteem in Rwanda na de genocide. Zijn onderzoeksinteresse ligt op het gebied van leeromgevingen, kennisproductiviteit, innovatie, sociaal kapitaal en de interactie hiertussen. Onlangs bespraken we mijn ondernemersboek van deze week dat een intrigerende nieuwe kijk geeft op de geschiedenis van de werkende mens, van de prehistorie tot aan het robot-tijdperk. In ons gesprek vroeg ik Joseph om deze boekbespreking voor zijn rekening te nemen. Als je zin hebt in dit nieuwe werk van Joseph Kessels, ben je uitermate slim bezig.

Boekbespreking ‘Werk’ door hoogleraar-emeritus Joseph Kessels.

Als je van lezen houdt, is het een geweldige ervaring wanneer een schrijver je op een avontuurlijke wijze meeneemt op ontdekkingstocht naar verre voorouders. Het kan echter niet uitblijven dat hij je op een gegeven moment ook in een spiegel laat kijken en uitzicht biedt op je eigen hedendaagse geploeter. De vraag die Suzman bij mij oproept is of we de afgelopen 75.000 duizend jaar slimmer zijn gaan werken en of we daar ook beter van zijn geworden? Als rode draad volgt deze fascinerende zoektocht de gedachte dat levende systemen voortdurend bezig zijn om energie te verzamelen. Die is nodig om te kunnen groeien en zich voort te planten. Anders ga je dood. De behoefte aan energieproductie stuwt het leven voort, en bij mensen noemen we dat werk. De beheersing van het vuur stelde onze voorouders ineens in staat om energie- en eiwitrijk voedsel te bereiden, waardoor de omvang van de hersenen ging groeien en ze tot meer activiteiten en ontwikkeling in staat waren.

Werk zou je in formele zin kunnen omschrijven als het doelbewust energie of moeite in een taak steken om een doel of resultaat te bereiken. Maar voor ieder van ons heeft werk een sterk verschillende en persoonlijke betekenis. Het varieert van het elke dag weer inspanning moeten leveren om in je levensbehoefte te kunnen voorzien, je eten en kleren te kopen, de huur te betalen, voor je kinderen te zorgen, je bekwaamheden te ontwikkelen, je toegang te verschaffen tot plekken waar je graag zou willen zijn, het je willen uitdrukken op een manier zoals je graag gezien wilt worden en het intense plezier beleven aan het feit dat het je gelukt is om met een bepaalde inspanning ook het gewenste resultaat te realiseren.

Het boek van Suzman neemt je mee in een rijke geschiedenisles van jagers die een paar keer per week samen optrekken om wild te bemachtigen en vruchten te verzamelen. Als er genoeg gevonden is om te eten, besteden zij hun tijd aan andere zaken, die ze minstens zo belangrijk vinden. Met name de visserij leverde elk seizoen zoveel op dat de mensen het grootste deel van het jaar veel tijd en energie konden steken in de ontwikkeling van een rijke, artistieke traditie, politiek, uitgebreide ceremoniën en kostbare rituelen (p. 171).

Op een gegeven moment strijken de jagers neer in kleine nederzettingen en beginnen ze de grond te bewerken en hun vee te domesticeren. Het nieuwe en langere tijdsperspectief, waaronder het plannen en voorbereiden van de oogst over de seizoenen heen, neemt een steeds belangrijker plaats in. Rondom de boeren vestigen zich ambachtslieden die hen voorzien van gespecialiseerde hulpmiddelen, gereedschappen, huisraad, kleding en sieraden. Was jagen voor een groot deel nog een spannend en veelal sociaal spel, met de komst van de landbouw neemt het harde werk een steeds belangrijker plaats in. Elk jaargetijde vraagt specifieke arbeid en er zijn voortdurend bedreigingen van de oogst door te veel of te weinig water, storm, gedierte of rondtrekkende rovers en plunderaars. De hoeveelheid energie die mensen moeten steken in hun werk neemt toe, zeker in vergelijking tot de jagers. Het lukt de boeren beter dan de jagers om energie te laten groeien. En met toepassing van technologie gaat dat nog veel sneller.

De stormachtige ontwikkeling van machines die de industriële revolutie inleidde zorgde voor een nieuw soort werk in een fabriekssysteem en deed soms oeroude beroepen verdwijnen. Terwijl de boeren nog ‘frisse lucht inademden en doorgaans schoon water dronken, maakten de mensen in de steden lange, zware uren, aten slecht, ademden ze door smog vervuilde lucht, dronken ze onbetrouwbaar water en leden ze aan ziekten als tuberculose’ (p.316). De behoefte aan nieuwe arbeid was zo groot, dat bij de overgang naar de negentiende eeuw bijna de helft van alle Britse fabrieksarbeiders nog geen veertien jaar oud was.

Vijftig jaar later begint de rijkdom aan de top van de nieuwe industrie door te sijpelen naar arbeiders in de vorm van betere salarissen en huisvesting. Het maakte mensen meer dan ooit afhankelijk van loon, in plaats van producten uit eigen arbeid. Zij konden meer geld uitgeven aan spullen. Langzaam verbreedt de nieuwe luxe van de consumptie zich. Was het verzamelen van status door spullen aanvankelijk voorbehouden aan de aristocratie en de gegoede ondernemersklasse, door het stijgen van de lonen en het vergroten van de bestedingsruimte kon ook de ‘werkende klasse’ er aan meedoen. Veel strijd van arbeidersbewegingen stond vooral in het teken van betere salarissen en meer vrije tijd. Inspanningen om het werk interessanter of meer bevredigend maken kwamen niet hoog op de agenda te staan.

Het is wonderlijk dat honderdvijftig jaar later tal van arbeiders, ondanks de sterk toegenomen productiviteit nog steeds veel uren moeten maken om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. Voor velen is één baan niet genoeg en zij sprokkelen gestrestst met tijdelijke deeltijdcontracten een minimumloon bij elkaar, zonder uitzicht op een betaalbare huurwoning, laat staan een eigen huis. Meer werken met minder perspectief op een betere beloning en rust.

Om welvaartsgroei te bevorderen en een zeker vermogen op te bouwen kun je beter niet zelf werken. Het loont meer om te beleggen en geld voor je te laten werken om zo sneller er veel meer van te krijgen. Een groeiende groep vervangt de gedachte van werken door het idee dat ‘geld geld kan baren’ in de vorm van rente, of dat je ‘geld aan het werk kunt zetten’, door het te investeren zodat geld winst kan opleveren (p. 251).

Suzman laat zien dat de mens heel veelzijdig en inventief is, en daardoor ontzettend goed in staat om zich voortdurend aan te passen aan nieuwe omstandigheden. Het is echter de vraag of het ons ook helpt om echt verder te komen. Het snel veranderende klimaat zal ons tot nieuwe aanpassingen dwingen. Maar ook woede die zal ontstaan vanwege de groeiende systematische ongelijkheid. Het boek sluit zeer actueel af: ‘Een andere mogelijke katalysator is misschien wel een virale pandemie die blootlegt dat onze economische instellingen en werkcultuur achterhaald zijn en waardoor we ons gaan afvragen welke banen daadwerkelijk waardevol zijn en waarom we accepteren dat onze markten de mensen in vaak nutteloze of parasitaire functies zoveel meer belonen dan de mensen in banen die we als essentieel erkennen’ (p.404).

James Suzman raakte geboeid door het fenomeen werken toen hij uitvoerig onderzoek deed naar de laatste jagers-verzamelaars cultuur van de Ju/’hoansi aan de rand van Kalahari woestijn in Afrika. Een paar honderd jaar geleden noemden de optrekkende en koloniserende Boeren in Namibië deze trotse stam van vroege bewoners denigrerend Bosjesmannen. Door hen als halve dieren te dehumaniseren konden ze er duizenden verkopen als slaaf en ruim 200.000 systematisch uitmoorden. De paar die er nog over zijn, hebben geen jaaggebied meer en leven in een reservaat. Ze gaan gebukt onder een groot alcoholprobleem. Suzman keert in het lijvige boek regelmatig terug bij de Ju/’hoansi. Hun sobere leefstijl, de relatieve rol van bezit, het gaan jagen als sociale sport en het egalitaire leefverband lijken een grote aantrekkingskracht op de auteur uit te oefenen. Op het moment dat dergelijke cultuurkenmerken verloren gaan, gaat het werk een steeds zwaardere opgave vormen.

In de prachtige VPRO-serie van Ruben Terlou over de chinezen die hun land verlaten en de wereld intrekken om met hard werken een droom te realiseren, zag ik hoe op het eiland Madagaskar de verschillende opvattingen over de betekenis van werk ook nu nog hevig botsen. Een gedreven Chinese scheepsbouwer is drukdoende met lassen aan zijn nieuwe boot. Ruben vraagt of hij met de lokale vissers samenwerkt. ‘Nee, de lokale vissers weten niet wat werken is. Die varen een paar keer in de week in hun schamele bootjes de zee op en vangen een portie vis waar ze enkele dagen genoeg aan hebben. Zo zul je nooit geld verdienen.’
Inmiddels ligt de grote Chinese vissersvloot in Madagaskar aan de ketting. Om te voorkomen dat er door overbevissing voor de lokale vissers niets meer te vangen zal zijn.

Volgens Suzman staan we op het punt om op grote schaal dergelijke drastische ingrepen te moeten nemen. Hij bouwt die redenering op uit argumenten en tegenargumenten die hij put uit een zeer erudiet overzicht van de geschiedenis van de homo sapiens, waarbij grote denkers, ingrijpende transities en gebeurtenissen de revue passeren. Alleen al die rijkheid en breedte van zijn vertoog maken het lezen van dit boek de moeite waard. Het is heerlijk geschreven en prachtig in het Nederlands vertaald door Fred Hendriks. De belangrijkste aansporing is waarschijnlijk dat we onze opvattingen over werk, de rol van technologie, de duurzaamheid van onze leefomgeving en de toenemende ongelijkheid kritisch moeten herzien. Een nieuwe betekenisgeving van onze dagelijkse inspanningen is dringend gewenst. Een mooi perspectief is dat de menselijke soort inmiddels zoveel aanpassingsvermogen en vernuft ontwikkeld heeft dat het vermogen voorhanden is om een andere koers te kiezen als het ons werk betreft. Het pijnlijke is waarschijnlijk dat de mens in de keuze zichzelf tot grootste vijand tegenkomt.”

Prof. Dr. Joseph Kessels

Rob Meesen